De beursgenoteerde NV Nationale Bank van België is een vennootschap die voor
100% werd opgericht met privé kapitaal. Dit was een politieke beslissing van de
Regering die het meer interessant vond de Belgische centrale bank te laten
financieren met het geld van de privé sector dan met de begroting. Men zette een
risicovolle onderneming op met privé kapitaal zonder dat er fondsen van de Staat
bedreigd werden. Toch ontving de Staat een ruime vergoeding voor het
emissierecht. Het ideale scenario voor de overheid: geen risico lopen en toch
delen in de winst. Zelfs in 1948, toen de Staat na 98 jaar aandeelhouder werd,
heeft de wetgever het belang beklemtoond van het behoud van privé-aandeelhouders
in de NBB, dit terwijl de meeste centrale banken in Europa genationaliseerd
werden.
Toen de Staat aandeelhouder werd, besliste de wetgever om een aantal
beschermingen te voorzien voor de privé-aandeelhouders, vooral op het vlak van
de algemene vergadering via een systeem van dubbele meerderheid. De wetgever wou
bewust vermijden dat de Staat beslissingen kom opleggen zonder de steun van de
meerderheid van de aandeelhouders. De bedoeling was duidelijk om een evenwicht
te creëren tussen de Staat en de privé-aandeelhouders. Dit evenwicht werd in
1993 eenzijdig verbroken zonder dat de privé-aandeelhouders zich hierover konden
uitspreken en zonder enige compensatie.
De Nationale Bank van België heeft haar reserves opgebouwd met eigen
middelen, niet met fondsen afkomstig van de Staat. Omgekeerd zelfs, de Nationale
Bank gebruikt een groot deel van haar middelen ter uitvoering van taken van
algemeen belang die haar toevertrouwd worden door de Staat en dit zonder enige
vergoeding voor de NV Nationale Bank van België (gratis diensten).
De Nationale Bank van België heeft jarenlang een ultra conservatief
dividendbeleid gevoerd. Sinds de jaren zeventig van vorige eeuw is het dividend
ver achtergebleven op het gebied van koopkracht en in vergelijking met de
winstcijfers van de NBB. Het is onfatsoenlijk dat dit voorzichtige
dividendbeleid nu misbruikt wordt door de NBB om de aandeelhouders hun deel in
de reserves van de vennootschap te ontzeggen. De fabel van de geïndexeerde
obligatie: volgens de NBB hebben de privé-aandeelhouders slechts recht op een
jaarlijks vast en geïndexeerd dividend en op niets meer. Dit slaat uiteraard
nergens op. Daarenboven, als we de evolutie van het dividend sedert 1974
bekijken, merken we dat het dividend ver achterbleef op de inflatie. Tot 1974
genoten de aandeelhouders van een regelmatig stijgend dividend dat gekoppeld was
aan de resultaten.
Toen kwam echter de breuk, ironisch genoeg net op het moment dat de inflatie
de pan uitsloeg. Over het jaar 1974 kregen de aandeelhouders een nettodividend
van 795 frank per aandeel terwijl de nettowinst per aandeel 1.371 frank bedroeg
(nettodividend = 58% van de nettowinst). Over het jaar 2004 kregen de
aandeelhouders netto 2.017 frank terwijl de winst meer dan 17.000 frank per
aandeel bedroeg (nettodividend = 12% van de nettowinst). Het nettodividend steeg
tussen 1974 en 2004 dus met een factor 1,54 terwijl de inflatie veel hoger lag.
De fabel van de geïndexeerde obligatie houdt dus geen steek.
Een groot deel van de nettowinst wordt trouwens ieder jaar gereserveerd
terwijl men, voordat men aan die nettowinst komt, reeds verschillende andere
voorzieningen aanlegt. Met andere woorden, er wordt alles aan gedaan om de
nettowinst zo laag mogelijk te houden om dan uiteindelijk van de nettowinst
nogmaals meer dan de helft in de statutaire reserve te pompen.
Het is ook niet normaal dat, als de NBB haar reserves niet meer nodig heeft
in het kader van het ESCB, deze reserves plots uitgekeerd kunnen worden aan de
Belgische Staat. De wetgever heeft juist in 1926 voorzien dat, indien de NBB
haar reserves niet meer nodig zou hebben tengevolge van een verlies van het
emissierecht, deze uitgekeerd zouden worden aan alle aandeelhouders en dit op
gelijke wijze, welliswaar met een prioritair deel van 20% voor de Belgische
Staat.
Als de NBB bepaalde bijkantoren niet meer nodig heeft dan verkoopt zij die
gebouwen zonder te trachten de beste prijs te krijgen. De directie van de Bank
heeft onroerende goederen verkocht aan personen die, soms op dezelfde dag,
hetzelfde vastgoed doorverkochten met een substantiële meerwaarde. Deze
meerwaarde had moeten toekomen aan de NBB en, onrechtstreeks, aan haar
aandeelhouders.
Met onze acties willen wij een verdere uitholling van het vermogen van de NBB
door de Belgische Staat verhinderen. Indien het parlement en de NBB zelf niets
ondernemen tegen het gestage leegzuigen van het vermogen van de NBB door de
Staat dan rest de privé-aandeelhouders geen enkele andere mogelijkheid om zelf
ten strijde te trekken. De kleine aandeelhouders willen zich enkel en alleen
verdedigen tegen herhaalde schendingen van hun legitieme belangen als
aandeelhouders.
De minderheidsaandeelhouders willen gewoon dat de winsten en de reserves van
de NBB binnen de vennootschap blijven en niet op slinkse wijze overgemaakt
worden aan de Staat. Indien men de reserves toch wil uitkeren dan dient dat te
gebeuren zoals het statutair werd bepaald in artikel 4 van de Statuten: “Elk
aandeel geeft recht op een evenredig en gelijk deel in de eigendom van het
maatschappelijk vermogen en in de verdeling van de winsten”. De
minderheidsaandeelhouders dienen hun rechtmatig deel te krijgen zoals dat bij
iedere beursgenoteerde vennootschap gebeurt. Alle reserves werden immers
opgebouwd uit de cash-flow die de NBB genereerde.
Alle burgers hebben er belang bij dat de Staat het eigendomsrecht van privé
personen respecteert en dat, wanneer de Staat overgaat tot een onteigening, een
passende compensatie betaald wordt. Dit is een fundamenteel principe in alle
democratische staten en dit principe is uitdrukkelijk voorzien in het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens. Er is geen enkele denkbare reden voorhanden
waarom de aandeelhouders van de NBB minder beschermd zouden moeten zijn dan
andere burgers.
De regering heeft herhaaldelijk beweerd dat zij veel belang hecht aan een
betere bescherming van de beleggers. Denken we maar aan de Wet Corporate
Governance, Wet inzake het financieel toezicht, enz. Blijkbaar bestaat deze
belangstelling niet als het gaat om de bescherming van de privé-aandeelhouders
van de Nationale Bank van België. De regering huldigt hier duidelijk het
principe van: “Do as I say, don’t do as I do”. Luister naar mijn woorden maat
let niet op mijn daden.
Inzake het deel van de minderheidsaandeelhouders in een uitkering van de
reserves, is het nuttig op te merken dat de Staat veel meer zal ontvangen dan de
privé-aandeelhouders. De Staat krijgt een bevoorrecht deel van 20% + de helft
van het saldo + de roerende voorheffing op het saldo. Als we dit alles in
cijfers omzetten, ziet het plaatje er als volgt uit indien de Statuten worden
nageleefd: 60% deel van de Staat in de winst (20% + 50% van 80% = 60%) 10% voor
de Staat door de roerende voorheffing (25% op de overblijvende 40%) 30% netto
voor de privé-aandeelhouders.
De NBB en de Staat gebruiken allerlei theorieën om uit te leggen dat de
winsten gerealiseerd op bepaalde activa (goud en deviezen) enkel aan de Staat
toekomen. Meer bepaald zegt de Bank dat zij welliswaar eigenaar is van deze
activa (nadat zij hiertoe verplicht werd in het kader van een kortgeding) maar
dat zij er niet de volledige beschikking over heeft noch er de volledige
vruchten van draagt. De Bank zegt niet wat de juridische basis is van deze
theorie, noch welke beperkingen er precies wegen op deze reserves. Het
jaarverslag heeft nooit gesproken van enige beperkingen aan de economische
rechten van de Bank en haar aandeelhouders op bepaalde activa. Dit betekent dat
de financiële informatie die de NBB jarenlang heeft verstrekt gebrekkig, foutief
en/of misleidend is.
Als de privé-aandeelhouders verduidelijkingen vragen en als zij vragen
stellen op de Algemene Vergaderingen dan worden hun vragen niet beantwoord. De
directie van de NBB werkt de vraagstelling op de Algemene Vergadering vlakaf
tegen en weigert zelfs verschillende aandeelhouders het woord te verlenen. De
Algemene Vergadering van de NBB lijkt meer op een monoloog van de directie dan
op een dialoog met de aandeelhouders. De directie weigert zelfs de veelal
nietszeggende antwoorden op de gestelde vragen te notuleren. Hierdoor kunnen zij
altijd ontkennen dat zij ooit iets verklaard hebben. Dit geeft hen ook de
mogelijkheid om hun standpunten te wijzigen, wat in het verleden reeds gebeurd
is, zonder het risico te lopen dat men gemakkelijk op hun tegenstrijdigheden kan
wijzen.
Er is een voortdurend gebrek aan transparantie over de interpretatie die de
Bank geeft aan bepaalde wettelijk regels (zoals de 3% regel) en over het
vermogen van de NBB. Pas nadat de minderheidsaandeelhouders zich ten einde raad
tot de bevoegde Rechtbank richtten, verschafte de Bank schoorvoetend een beetje
extra informatie. Denken we maar aan de strafklacht over de inschrijving op de
lijst van publieke vennootschappen en het kortgeding om de Bank te verplichten
te antwoorden op bepaalde vragen.
Bepaalde privé-aandeelhouders kregen, via een gerechtelijke procedure, inzage
in een “geheime” overeenkomst tussen de NBB en de Staat. Die zogenaamde geheime
overeenkomst heeft betrekking op de gerealiseerde meerwaarden op deviezen en
meer in het bijzonder op het aanleggen van een provisie voor toekomstige
wisselkoersverliezen. In die geheime overeenkomst staat trouwens geen enkele
vertrouwelijke informatie en zeker niets dat het label “geheim” verdient. Dit
zal binnenkort duidelijk worden. De Bank weigert deze overeenkomst bekend te
maken en schendt zodoende het beginsel van de gelijke behandeling der
aandeelhouders. Maar er is meer, de aandeelhouders die van deze overeenkomst
kennis konden nemen, worden bedreigd door de NBB indien zij de inhoud van dit
nietszeggende document zouden onthullen.
De Nationale Bank van België en de Belgische Staat geven tegenstrijdige
verklaringen over de rechten van de Bank op haar reserves. In februari 2004
verklaarde de Heer Luc Coene in Trends dat de Belgische Staat eigenaar is van de
externe reserves van de Bank terwijl de NBB zelf verklaart dat zij de juridische
eigenaar is. Ook de verklaringen van de Heer Coene in een interview met De Tijd
in augustus 2002 over het al dan niet nationaliseren van de NBB zorgde voor
hevige koersbewegingen. Denken we verder aan de herhaalde verklaringen van de
Minister van Financiën en andere personaliteiten zoals de Heer Noël Devisch over
het feit dat de minderheidsaandeelhouders van de Nationale Bank van België
slechts speculanten zijn die enkel de goudpotten van de NBB willen leegroven. De
kleine aandeelhouders werden bewust en doelgericht als slechte burgers
afgeschilderd om zo de publieke opinie negatief te beïnvloeden en ei zo na was
men in dit opzet geslaagd.
Het is mogelijk dat de overheid en de directie van de Nationale Bank zich
vergist hebben omdat men “dacht” dat al activa van de Staat waren. Iedereen kan
zich vergissen doch volharden in de boosheid terwijl men met de neus op de
feiten wordt gedrukt, getuigt duidelijk van slechte wil.
In het Belgisch staatsblad van 15 november 1996 lezen we dan plotseling dat
de meerwaarden op de goudverkopen, die op een onbeschikbare reserverekening
stonden, aan de Staat werden doorgestort.
De onrechtvaardige wet die aan de wieg van deze onbeschikbare reserve stond,
zegt nochtans uitdrukkelijk dat er slechts tot uitkering kon worden overgegaan
op het moment dat de NBB in vereffening zou gaan. Is de NBB voor onze politici
sedert 1996 in vereffening?
In 2001 gaat men nog een stap verder en begint men zelfs niet gerealiseerde
meerwaarden aan de Staat door te storten. De Bank stort 177 miljoen euro cash
aan de Staat, zijnde de meerwaarde op het goud dat overgedragen werd aan de ECB.
Hoewel de NBB voor haar inbreng van de ECB een vordering ontvangen heeft, stort
men toch 177 miljoen euro, die men nooit ontvangen heeft, in de Schatkist.
Ook de overdracht van de pensioenreserves in 1992 en de transfert van 235
miljoen euro twee jaar geleden kaderen in het geheel van het overhevelen van
fondsen van de beursgenoteerde NV Nationale Bank van België naar de bodemloze
Belgische Schatkist.
Korte historiek:
De Nationale Bank van België wordt op 5 mei 1850 opgericht als een privé
onderneming;
1850 opgericht voor een termijn van 25 jaar; uitgifte van 25.000 aandelen met
een nominale waarde van 1.000 frank = kapitaal 25 miljoen frank toezicht van een
regeringscommisaris; de Staat krijgt een deel van de winst in ruil voor het
monopolie op het emissierecht;
1873 kapitaalverhoging tot 50.000 aandelen = kapitaal 50 miljoen frank nieuwe
termijn van 30 jaar; winstverdeling op rentedragende activa geregeld (5%
regel);
1900 nieuwe termijn van 30 jaar; de 5% regel wordt de 3,5% regel.
1926 aandelensplit in drie, de 50.000 aandelen worden er 150.000;
kapitaalverhoging tot 200 miljoen frank; incorporatie van de reserves ter waarde
van 50 miljoen frank; herwaardering van de vaste activa ter waarde van 50
miljoen frank; openbare uitgifte van 50.000 nieuwe aandelen aan 1.500 frank;
invoering van het principe dat het reservefonds wordt uitgekeerd bij het
verstrijken van het emissierecht;
1948 de Staat legt beslag op de oorlogswinsten van de Bank (264 miljoen
frank); hiervan gebruikt de Staat 200 miljoen frank om in te tekenen op 200.000
aandelen aan 1.000 frank; vanaf nu zijn er 400.000 aandelen met een nominale
waarde van 1.000 frank; als garantie voor de privé-aandeelhouders wordt het
systeem van de dubbele meerderheid ingevoerd; opmerking: de Staat brengt dus
geen vers kapitaal in, men gebruikt een deel van de in beslag genomen winst;
opmerking: de gemiddelde beurskoers in het jaar voor deze kapitaal verhoging
bedroeg 2.200 frank; opmerking: de kapitaalverhoging in 1926 gebeurde tegen
1.500 frank per aandeel;
1948 de schuld van de Staat aan de NBB wordt geconsolideerd op 35 miljard
frank; hierop betaalt de Staat jaarlijks 0,1% rente; uiteindelijk zal de
Belgische Staat 1 miljard frank terugbetalen; het resterende saldo van 34
miljard frank zullen we in 1991 terug tegenkomen;
1959 nieuwe termijn tot 31/12/1988 de 3,5% regel wordt de 3% regel;
1988 verlenging voor onbepaalde duur; gerealiseerde meerwaarden op de
goudverkopen worden op een onbeschikbare reserverekening gestort; bij
vereffening komt deze reserverekening toe aan de Staat;
1991 de schuld van de Staat aan de Bank (34 miljard frank) wordt omgezet in
vrij verhandelbaar papier; de Bank betaalt hiervoor aan de Staat jaarlijks 3% -
0,1% = 2,9% op 34 miljard frank; de Bank betaalt dus 986 miljoen frank aan de
Staat op geld dat de Staat haar schuldig is (jaarverslag 1992 p 216);
1993 de dubbele meerderheid vereist bij statutenwijzigingen wordt afgeschaft;
de aandeelhouders krijgen niet de gelegenheid hierover te stemmen; de
aandeelhouders hebben dus niet de mogelijkheid om hun meerderheid in aantal te
gebruiken; de privé aandeelhouders krijgen dus niet de gelegenheid om deze
schandelijke ontwikkeling te blokkeren; de desbetreffende wet van 22 maart 1993
voorziet in geen enkele schadevergoeding voor de aandeelhouders;
1996 de “onbeschikbare reserves” worden overgedragen aan de Staat;
2002 de minderheidsaandeelhouders komen in opstand; de Nationale Bank en de
Staat weigeren zelfs om over de situatie te praten; de Nationale Bank en de
Staat trachten de kleine aandeelhouders af te schilderen als slechte burgers en
speculanten.
3. Evolutie goudvoorraad
De Nationale Bank van België was tot in 1988 een echte goudkever. Toen de
Belgische overheid de goudkoffers van de NBB ontgrendelde smolt de goudvoorraad
als sneeuw voor de zon.
1988 goudvoorraad 1303 ton
1989 min 127 ton -> 1176 ton
1992 min 202
ton -> 973 ton
1995 min 175 ton -> 799 ton
1996 min 203 ton ->
596 ton
1998 min 299 ton -> 297 ton
1999 min 11 ton (Lux) -> 286 ton
min 27 ton (ECB) -> 258 ton
2000-2004 giften Munt -> 257
ton
beschikbaar voor de Munt (9,3 ton) 248 ton
2005 min 30 ton -> 218
ton
4. De geschiedenis
De aanloop, de oprichting, de geschiedenis? U kunt het verhaal als WORD-document downloaden (11blz).
5. De hold-up !
Hoe gingen onze achtbare tegenstrevers tewerk om de aandeelhouders van de NBB
te onteigenen zonder compensatie? Dit was een werk van lange adem, onze achtbare
tegenstrevers hebben immers soms ook strategiën voor de lange termijn en dat
evolueerde als volgt:
Rond 1975 begint men de mythe van de geïndexeerde obligatie te creëren. De
activa van de NBB zijn van de Staat en de aandeelhouders zijn eigenlijk houders
van obligaties die een dividend ontvangen dat gekoppeld is aan de inflatie. Dit
was een verschrikkelijke leugen doch als men een leugen dikwijls genoeg
herhaalt, en degenen die ze bestrijden worden doodgezwegen, gelooft iedereen
uiteindelijk dat de leugen de waarheid is.
In 1988 heeft men gemerkt dat zowat iedereen de leugen gelooft en men gaat
een stap verder. De NBB mag haar goud verkopen en de meerwaarden op het goud
zullen op een onbeschikbare reserverekening worden gestort. Deze onbeschikbare
reserverekening komt bij de “liquidatie” van de NBB toe aan de Staat. De
opbrengsten van deze reserverekening gaat volledig naar de Staat. Ook nu worden
de privé aandeelhouders doodgezwegen en wordt de volgende stap van de oplichting
voorbereid.
In 1993 schaft men bij wet en zonder enige compensatie het systeem van de
dubbele meerderheid af en vanaf nu zijn de minderheidsaandeelhouders volledig
overgeleverd aan de grillen van de kortzichtige politici. De protesten van de
minderheidsaandeelhouders komen nergens aan bod, klaar voor de feitelijke
hold-up dus.
In 1996 wordt het saldo van de “onbeschikbare” reserverekening overgedragen
aan de Belgische Staat, een scenario dat zich nog enkele keren zal herhalen. Is
de NBB sinds 1996 in liquidatie?
In 2002 komen de protesten van de minderheidsaandeelhouders eindelijk in de
openbaarheid doch dankzij een ijzersterke strategie zijn de regering en de
onafhankelijke directeurs van de NBB vast van plan om de kleine garnalen een
lesje te leren. Eerst worden de aandeelhouders afgeschilderd als onbetrouwbare
speculanten, goudrovers en dergelijke meer zodat de publieke opinie zich
resoluut tegen ons keert. De pers laat zich door deze belangrijke en
onafhankelijke mensen inpakken. Nadat wij onze argumenten hebben neergelegd bij
de rechtbank wijzigt men de wet zodat het voor ons onmogelijk wordt om deze
oorlog in België te winnen. Dan begint men tijd te rekken en de strijd evolueert
in ongunstige zin doch op het ogenblik dat bijna niemand het nog ziet zitten
verschijnt er een spelbreker op het toneel die de briljante strategie van de
regering en de onafhankelijke directeurs van de Nationale Bank in de prullenmand
doet belanden.